Geen canonherziening bij overdracht recht van erfpacht

Printvriendelijke versie

In veel grote steden in Nederland wordt door de gemeenten nog gebruikt gemaakt van het recht van erfpacht. Door uitgifte van bouwgrond blijft de gemeente eigenaar, doch de erfpachter is gerechtigd daarop een woning te bouwen. De jaarlijkse vergoeding voor het recht van erfpacht wordt canon genoemd.

De akte van uitgifte erfpacht bevat naast de vermelding van de jaarlijks verschuldigde canon en de termijn waarop de erfpachtcanon kan worden herzien, bijvoorbeeld telkens na 10 jaar, vaak diverse aanvullende voorwaarden. Indien de erfpachter zijn erfpachtrecht op de grond met de daarop voor zijn rekening gebouwde woning wenst te verkopen, moet vooraf toestemming worden gevraagd aan de gemeente.
De argumentatie voor het vragen van toestemming is ingegeven door het feit, dat de gemeenten invloed willen blijven houden op de persoon die het erfpachtrecht verkrijgt.

Voor veel gemeenten is dit tevens aanleiding om ter gelegenheid van de overdracht van het erfpachtrecht, ook de jaarlijkse verschuldigde canon door de erfpachter te herzien.

Daar heeft de Rechtbank Zutphen onlangs een stokje voor gestoken. De Rechtbank is van oordeel, dat gemeenten weliswaar voorwaarden mogen stellen aan de toestemming tot overdracht, maar dat dit alleen mogelijk is voor wat betreft de persoon van de verkrijger. Een voorwaarde die derhalve geen betrekking heeft op de persoon van de verkrijger is per definitie niet toegestaan. Canonherziening heeft niets te maken met de persoon van de verkrijger en dus niet toegestaan.
Bovendien moeten derden (zoals potentiële kopers van het erfpachtrecht met de woning) kunnen vertrouwen op de inhoud van de akte, voor wat betreft de canonherziening. Zou dat niet het geval zijn, dan kan een tussentijdse mogelijkheid om de canon te verhogen de koopsom in negatieve beïnvloeden.

Wilt u meer weten over dit onderwerp en wilt u niet voor verrassingen worden geplaatst? Neem dan contact op met ons kantoor. Wij zijn u graag van dienst.

Bron: Rechtbank Zutphen 23 november 2011 (LJN BU6803)