Erfgenaam en uitkering

Printvriendelijke versie

Onlangs sprak de rechtbank zich uit over een testament van een moeder, wiens zoon een uitkering krachtens de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK) ontving. De moeder had haar zoon tot erfgenaam benoemd maar daar nog een bepaling aan toegevoegd. Als de zoon zou overlijden terwijl er dan nog iets over was van de erfenis, zou dit moeten toekomen aan de kinderen van de zoon.

Deze zogenaamde tweetrapsmaking komt vaker voor in testamenten. Meestal omdat de ouder, zoals in dit geval de moeder, wil regelen dat haar erfenis of wat er van over is, na haar overlijden niet toekomt aan bijvoorbeeld een minder plezierige schoondochter.

Er is vervolgens nog een bepaling toegevoegd in het testament, namelijk dat de zoon geen rechten meer heeft op de erfenis als hij een overheidsbijdrage aanvraagt, waarvoor hij eerst zijn eigen vermogen moet ‘opeten’. Maar de zoon vindt dat dit niet op hem van toepassing is omdat hij de WWIK uitkering al kreeg toen moeder het testament maakte en het niet haar bedoeling zou zijn geweest hem de facto te onterven.

De rechter onderzoekt de totstandkoming van het testament door notities uit het dossier te beoordelen en familieleden te horen en komt tot de conclusie dat de moeder de bedoeling heeft gehad om te regelen dat haar erfenis niet bij de vriendin van de zoon terecht zou komen. De zoon heeft gewoon recht op de erfenis.

Uit het voorgaande blijkt dat het heel belangrijk is dat uw bedoeling op een correcte wijze wordt verwoord in uw testament. Als er twijfel rijst over de bewoordingen kan een derde of een uitkeringsinstantie het uw erfgenamen enorm moeilijk maken. Heeft u in uw testament staan dat er wijzigingen optreden als de erfgenamen een beroep doen op een overheidsbijdrage of uitkeringsinstantie? Wij kijken uw testament graag voor u na om te voorkomen dat uw erfgenamen voor verrassingen komen te staan.

Bron: Notamail 2012/86, LJN BW1442