Stilzwijgende bruikleenovereenkomst

Printvriendelijke versie

Door particulieren of instanties wordt aan de gemeentelijke overheid nogal eens de vraag voorgelegd of voor het plaatsen van bijvoorbeeld een gedenksteen een bepaald stukje grond mag worden gebruikt. Dat gebeurt dan meestal in de vorm van een bruikleenovereenkomst, waarin partijen afspreken, dat (in dit geval) de gemeente een perceeltje grond, geheel gratis en voor onbepaalde tijd tot wederopzegging toe, in bruikleen geeft aan een instantie, die dit perceeltje grond uitsluitend mag gebruiken voor het plaatsen van de gedenksteen.

Maar er zijn natuurlijk ook andere situaties denkbaar, waarbij sprake kan zijn van een bruikleenovereenkomst. In een zaak voor de Rechtbank Amsterdam vorderen woonbootbewoners van de gemeente Amsterdam, dat zij een erfdienstbaarheid hebben verkregen tot het gebruik van stroken oevergrond als tuin en voor het plaatsen van opstallen. Van een erfdienstbaarheid is sprake als het ene erf is belast ten nutte van een ander erf, bijvoorbeeld met het recht van overpad.

Omdat de woonbooteigenaren al gedurende meer dan 20 jaren gebruik maken van deze oeverstroken, die eigendom zijn van de gemeente Amsterdam, zijn zij van mening dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. De vordering van de gemeente tot opheffing van dit – volgens de gemeente – onrechtmatige gebruik moet worden afgewezen.

Voor het vestigen of ontstaan van een erfdienstbaarheid moet er sprake zijn van een onroerende zaak (de oevergrond van de gemeente), die wordt belast met het gebruik ten behoeve van een andere onroerende zaak (de woonboten). Volgens de rechtbank kunnen de woonboten niet worden aangemerkt als onroerende zaken, aangezien deze niet bestemd zijn om daar duurzaam te blijven. Nu de woonboten als roerende zaken worden bestempeld, is het ontstaan of vestigen van erfdienstbaarheid ten behoeve van de woonboten uitgesloten.

Wel komt de rechtbank tot de conclusie dat op basis van het feit, dat destijds het gebruik van de oevers is gekoppeld aan de ligplaatsen van de woonboten en de verdere omstandigheden, dat een stilzwijgende bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen tussen de gemeente en de woonbootbewoners. Deze bruikleenovereenkomst kan dus door de eigenaar van de oever (de gemeente) worden opgezegd om de oever te gaan herinrichten. De vordering van de gemeente tot ontruiming van de oever door de woonbooteigenaren wordt daarom door de rechtbank toegewezen.

Bron: Rechtbank Amsterdam, 18 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:770